Gentiana lutea L. (gele gentiaan)

Gentiana lutea L.

(gele gentiaan)


Geschiedenis van de plant

Gele gentiaan groeit op de kalkhoudende alpenweiden en berghellingen van Centraal- en Zuid-Europa, de Balkan en Turkije. De plant groeit langzaam, pas na 10 jaar komt ze tot bloei. Daar staat tegenover dat ze 40 tot 60 jaar oud kan worden.

Gele gentiaan heet in het Latijn Gentiana Lutea. Ghentius zou de naamgever geweest kunnen zijn van dit kruid. Er is echter weinig over hem bekend. Een Illyrische koning met hart voor de kruidengeneeskunde zou het ook geweest kunnen zijn. Hij ontdekte namelijk de medicinale eigenschappen van de plant en maakte ze bekend aan de wereld. Lutea betekent ´geel´, en dat is de kleur van de bloemen.

Samen met het duizendguldenkruid is hij onze bekendste bitterstofplant. Door die rijkdom aan bitterstoffen was gele gentiaan door de eeuwen heen een eerste keus bittermiddel dat de spijsvertering bevorderde. Dioscorides (40-90 n.Chr) paste gele gentiaan al toe bij lever- en galaandoeningen, maar ook Plinius, Celsus en Galenus waren ermee bekend. In de Middeleeuwen werd het zelfs een “wondermedicijn” genoemd omdat men het gebruikte bij diarree, bij lever- en maagproblemen, om koorts te weren en als antigif middel, bijvoorbeeld bij beten van giftige dieren.

Gefermenteerd wordt hij gebruikt om likeuren van te maken.

Eigenschappen

Gele gentiaan is door zijn bitterstoffen eetlustopwekkend, bevordert de speekselsecretie, is spijsverteringsbevorderend, gaat darmgassen tegen, en is galvormend en galdrijvend. Maar de plant heeft ook een gunstig effect op het immuunsysteem en is een tonicum.

Verwerking

De gedroogde, niet gefermenteerde worstelstok met wortels wordt in september tot november geoogst en verwerkt tot een extract.

Toepassing

Gele gentiaan wordt onder andere toegepast bij een gebrek aan eetlust, een zwakke maagfunctie, een gebrek aan spijsverteringssappen, een opgeblazen gevoel, bij winderigheid, bij misselijkheid en bij een zwakke gal- en leverwerking.

 

Overgenomen uit i-Sana 2016.